Mark Boulos

Mijn Prix Column #10

De Prijs van een Verhaal
Door: Jelte Hommes

In 2011 organiseerde Prix de Rome in samenwerking met Domein voor Kunstkritiek, een workshop kunstkritiek voor jonge schrijvers die affiniteit hebben met beeldende kunst. Leidende vraag was: Wie vind jij dat er moet winnen? Waarom juist die kunstenaar? Welke criteria gebruik jij? Alle zestien deelnemers schreven een column naar aanleiding van de workshop.

In 1936 schreef Leon Trotsky dat het onmogelijk is voor echte kunst om niet revolutionair te zijn. 75 jaar later wordt er, op de Prix de Rome 2011, nog steeds kunst gemaakt waar Trotsky trots op kan zijn. Verschillende van de gepresenteerde werken gaan namelijk een kritische dialoog met de samenleving aan. Pilvi Takala laat bijvoorbeeld in een video-installatie zien dat de Europese Unie mijlenver van haar burgers is komen af te staan. Bewapend met een handcamera toont ze dat het Europese parlement helemaal niet de publieke ruimte is die het hoort te zijn. Ook Vincent Vulsma hanteert in zijn werk een politieke invalshoek. De patronen in zijn Jacquardtextiel lokken een associatie met Afrikaanse kledij uit. De titel van zijn werk verwijst naar een expositie over Negro art . Hij maakt hiermee duidelijk hoe gemakkelijk de westerse cultuur zich dingen van andere culturen toeeigent om er een eigen verhaal over te vertellen.

Het mag in het jaar 2011 ook niet al te moeilijk zijn om Trotsky een plezier te doen. Dat we in de ergste crisis verkeren sinds de jaren ’30 van de vorige eeuw is misschien rampzalig voor de kunstsector, voor een individuele kunstenaar kan het een bron van inspiratie te zijn. Hoewel de pogingen van Vulsma en Takala in deze zin alleraardigst zijn, is het kunstwerk dat de toeschouwer het sterkste confronteert met de hedendaagse politieke situatie, het werk: ‘No permanent adres’ van Mark Boulos. Waar Vulsma’s werk te conceptueel is en Takala’s video-installatie hier en daar wel erg speels oogt, daar weet Boulos de vinger gelijk op de zere plek te leggen. Boulos, een zelfbenoemde communist, volgt in zijn documentaire het leven van enkele leden van de Filippijnse New People’s Army. Op drie projectieschermen laat hij zien dat deze communistische rebellenbeweging uit normale mensen bestaat. Het enige wat deze rebellen van ons onderscheidt is, dat ze hun leven in dienst van de revolutie hebben gesteld. Boulos’ documentaire geeft zo een indringend beeld van mensen die bereid zijn te sterven voor een groter ideaal.

Toeval of niet, maar Boulos’ werk is niet het enige werk in Amsterdam dat de revolutie als onderwerp heeft. Het Stedelijk Museum Bureau Amsterdam heeft momenteel een expositie van Alfredo Jaar met hetzelfde onderwerp. Zowel Jaar als Boulos maken op die manier deel uit van een kunsthistorische traditie waarvan de kiem gelegd zou kunnen zijn in het suprematistische werk van Kazimir Malevich. Jaar’s ‘Marx lounge’ kan worden opgevat als een hoopvol pleidooi voor een revolutie van de marxistische avant-garde. Boulos benadert zijn onderwerp op een andere manier, hij wijst er op hoe leeg het begrip ‘revolutie’ wordt als het een te groot en te abstract verhaal wordt; hoe gemakkelijk de droom over een betere toekomst kan leiden tot een permanent leven in een hedendaagse nachtmerrie.

Eén scène laat zien hoe een moederfiguur les geeft aan een groep jonge rebellen in het oerwoud. In haar les wijst ze erop dat het partijstandpunt van de New People’s Army is geïnspireerd door Marx, Lenin en Mao. Geen enkel moment tijdens haar les legt ze uit wat deze denkers precies beweerden. Een andere scène laat een interview met een jonge man zien die ervan overtuigd is dat het communisme in overeenstemming met de bijbel is. Deze man komt tot de conclusie dat een goed christen dus communist moet zijn. In een derde scène wordt een vrouw emotioneel omdat ze de liefde van haar leven niet meer kan zien. Haar rebellenleven was te zwaar voor hem. Dit leidt bij de toeschouwers tot de vraag of deze mensen niet een te hoge prijs betalen voor hun ideologie.

Boulos streeft er in zijn werk niet naar om het rebellenverhaal af te doen als dom dogmatisme. In tegendeel zelfs. In een indringende scène vertelt een man hoe hij gedwongen werd om zich bij de rebellen aan te sluiten omdat hij door een grootgrondbezitter uit zijn huis was gezet. Deze grootgrondbezitter verdiende bakken met geld aan de export die naar westerse landen gaat. Dit dwingt de toeschouwers om te reflecteren op hun eigen grote verhaal, dat van de globale economie. De reden dat mensen hun huis uit worden gezet, communist worden en zich bij de rebellen aansluiten hangt namelijk samen met de manier waarop de globale markt werkt. Deze markt zorgt voor ernstige sociale ongelijkheden in arme landen. De vraag die na het zien van ‘No permanent adres’ dan ook pijnlijk blijft kleven luidt: ‘Is de prijs die wij voor ons grote verhaal betalen niet te hoog, wanneer dit alomvattende kapitalisme mensen veroordeelt tot een leven als terrorist?’

column 10_Jelte

Mijn naam is Jelte Hommes. Ik ben 23 jaar oud en ben bijna afgestudeerd als filosoof aan de Rijksuniversiteit Groningen. Naast filosofie ben ik dit jaar ook begonnen met de opleiding kunstgeschiedenis.