Historie

De geschiedenis van de Prix de Rome gaat terug tot 1666, toen de prijs in Frankrijk werd ingesteld door koning Lodewijk XIV, die van mening was dat veelbelovende Franse kunstenaars werken uit de klassieke Oudheid, de bakermat van Europese kunst, met eigen ogen moesten kunnen bestuderen. De prijs bestond uit een toelage waarmee de winnaar vier jaar in Rome kon werken. Lodewijk Napoleon heeft de Prix de Rome in 1808 in Nederland geïntroduceerd ter bevordering van de kunsten in het Koninkrijk Holland. Getalenteerde leerling-kunstenaars werden in de gelegenheid gesteld vier jaar lang achtereenvolgens in Parijs en Rome de klassieke kunst te bestuderen. Wanneer de leerperiode in Parijs succesvol was afgerond, mochten de kwekelingen de lange reis naar Rome ondernemen om verder te werken onder de verantwoordelijkheid van de Académie de France in de Villa Medici. De uitgezonden leerlingen waren verplicht om regelmatig bewijsstukken, voornamelijk kopieën van klassieke scènes, naar Holland te sturen. Een aantal van de werken uit deze Nederlandse beginperiode van de Prix de Rome bevindt zich nog in de collectie van het Rijksmuseum.

Vanaf 1817 werd de prijs gekoppeld aan de in dat jaar door koning Willem I opgerichte Koninklijke Akademie van Beeldende Kunsten, waarbij de ‘Groote Prijs’ inclusief de reis naar Rome aan het eind van de opleiding kon worden toegekend aan kunstenaars en architecten die uitblonken bij de uitgeschreven wedstrijd. Deze verbintenis werd 43 jaar later tijdens de regering-Thorbecke opgeheven in verband met de tegenvallende carrières van de winnaars na terugkeer uit Rome. En hoewel de Prix de Rome in 1870 in ere werd hersteld en wettelijk werd ondergebracht bij de in hetzelfde jaar opgerichte Rijksakademie, duurde het nog tot 1884 tot de eerste wedstrijd weer werd uitgeschreven. Kunstenaars konden zich aanmelden voor de Prix en wanneer zij het toelatingsexamen haalden, begonnen zij aan een ‘proefkamp’ waarvoor iedere kandidaat op de zolder van de academie een loge kreeg toegewezen waar zij twee composities naar onderwerpen uit de Bijbel en twee naaktstudies moesten maken. Om de anonimiteit te bewaken werkten de kunstenaars in afzondering van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, maaltijden werden door een luikje in de deur geschoven. Na jurering volgde het ‘eindkamp’, waarvoor in diezelfde loges gedurende drie maanden werd gewerkt aan een olieverfschilderij met vaste afmetingen en een vast (Bijbels of mythologisch) thema, ‘zoodanig gekozen, dat daaruit blijke de bedrevenheid van de mededingers in het schilderen van naakt en van drapeeringen’. Uiteraard werden de voorgeschreven disciplines aangepast als de prijs werd uitgeschreven in de categorie beeldhouwkunst, grafiek of architectuur. De verliezers kregen 200 gulden, de winnaar een gouden penning en een toelage van 2000 gulden voor een studiereis waarin een strak uitgezet programma van te bestuderen steden en meesterwerken gevolgd diende te worden. De reizen gingen overigens voorbij de Italiaanse landsgrenzen, afhankelijk van de discipline konden bijvoorbeeld ook Spanje en Griekenland op het programma staan. De studies die de kunstenaars tijdens hun reis naar Nederland stuurden, werden mits goedgekeurd, in de academie getoond.

Dit systeem werd lange tijd volgehouden, inclusief het luikje voor de maaltijden en de opgelegde thema’s, al werden de Bijbelse en mythologische opdrachten in de jaren zestig vervangen door meer abstracte thema’s als mens, dier, water of ontmoeting, waarmee vrijer werk gegenereerd werd. Opvallend is dat ondanks de onveranderde ambitie om met de prijs grote beloften te ontdekken en de ontwikkeling en internationale oriëntatie van kunstenaars te stimuleren, toch relatief weinig grote namen op de lijst van winnaars uit de periode 1884–1984 prijken. Bekende namen als Jan Sluyters (1904, schilderkunst), Cornelis van Eesteren (1921, architectuur) en Wessel Couzijn (1936, beeldhouwkunst) bevinden zich in gezelschap van kunstenaars die de Nederlandse kunstgeschiedenis veelal helaas niet hebben gehaald. Een ander kritiekpunt dat vanaf de jaren zestig steeds pregnanter werd, was dat de winnaars bijna allemaal voortkwamen uit de opleiding van de academie, terwijl de wereld eromheen in rap tempo veranderde. De kunstenaars die doorbraken en het discours bepaalden – denk aan Jan Dibbets, Ger van Elk, André Volten, Wim T. Schippers – volgden vaak andere kunstopleidingen in binnen- of buitenland. Bovendien was een bezoek aan Rome niet langer een gevoelde noodzaak, inspiratiebronnen werden elders in de wereld gevonden, of in de eigen stad. De ooit zo respectabele Prix de Rome werd in deze periode steeds minder serieus genomen en het aantal aanmeldingen liep navenant terug. Dezelfde discussie speelde in Frankrijk, waar de Prix de Rome in 1968 zelfs werd afgeschaft om in een andere vorm te worden voortgezet.

In Nederland duurde het tot 1985 tot de opzet van de Prix de Rome – gelijktijdig met de reorganisatie van de Rijksakademie – werd gemoderniseerd. Het prijzengeld en de leeftijdsgrens werden verhoogd, de opleidingseisen verdwenen en het jureringssysteem werd aangepast. De doelstelling bleef ongewijzigd: stimulering van de artistieke ontwikkeling in een internationale context. De wijzigingen wierpen hun vruchten af met een stijgend aantal aanmeldingen en de deelname van interessante kunstenaars die met hun werk de nog steeds vastgestelde disciplines wisten open te breken, totdat het systeem van categorieën in 2005 helemaal werd afgeschaft. Bovendien gingen criteria als ‘eigenheid’, ‘artistieke concepten’ en ‘originaliteit’ een belangrijke rol spelen bij de jurering. Het resultaat is een lijst met winnaars die tot de top van de kunst en architectuur in Nederland worden gerekend, met namen als Erik Andriesse (1988), Adriaan Geuze (1990), Charlotte Schleiffert (1999), Gianni Cito (2001); Lonnie van Brummelen (2005); Ronald Rietveld (2006); Pilvi Takala (2011) en Falke Pisano (2013).

Tijdens een beleidswijziging in 2011 besloot het ministerie van OCW dat de organisatie en de financiering van de Prix de Rome moesten worden overgedragen aan het Mondriaan Fonds. De doelstelling van de prijs sluit aan bij een van de belangrijkste doelen die door het publieke stimuleringsfonds worden nagestreefd: de talentontwikkeling van beeldend kunstenaars in Nederland. Om de continuïteit van de prijs te waarborgen, organiseert het fonds ook de vierjaarlijkse ronde voor architectuur, daarbij geadviseerd door het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie en Het Nieuwe Instituut.

Het Mondriaan Fonds organiseert de prijs in gewijzigde vorm met respect voor de geschiedenis en ontwikkeling van de Prix de Rome. In 2013 vond de eerste door het Mondriaan Fonds georganiseerde ronde plaats voor beeldende kunst; in 2014 volgde architectuur.

Deze tekst is afkomstig uit de Prix de Rome publicaties die NAi010 uitgevers sinds 2013 samen met het Mondriaan Fonds maakt. Auteur: Mirjam Beerman

Bron: Marguerite Tuijn (red.), Prix de Rome MDCCCVIII – MMVIII, Amsterdam 2008